|
|
|
Zuringwants, Lederwanze, Corée marginée
 |
|
| [Note Guidelines] Photographer's Note |
Klasse: Insekten (Insecta)
Unterordnung: Wanzen (Heteroptera)
Familie: Randwanzen (Coreidae)
Unterfamilie: Coreinae
Gattung: Coreus
Art: Lederwanze
Wissenschaftlicher Name :Coreus marginatus(Linnaeus, 1758)
Die Lederwanze (Coreus marginatus), auch Große Randwanze oder Saumwanze genannt, ist eine Wanze Familie der Randwanzen (Coreidae).
Sie wird etwa 10,5 bis 16 Millimeter lang und ihre Hinterleibsränder ragen seitlich unter den Flügeln hervor. Namensgebend ist ihr ledriges, mittel- bis dunkelbraunes Aussehen, das im Herbst zu einem schwarzbraun wird. Ihre Körperoberfläche ist rauh. Sie duftet nach Äpfeln. Im Flug sieht man den leuchtend roten Hinterleibsrücken.
Zu verwechseln ist sie mit Enoplops scapha und der kleinen Rautenwanze (Syromastes Rhombeus).
Lebensweise :
Die Lederwanze lebt im Frühjahr, ab etwa April, auf Bäumen und Sträuchern. Die Eiablage an verschiedene Ampfer- und Knöterich-Arten erfolgt im Mai bis Juni. Die nach drei bis fünf Wochen schlüpfenden Larven saugen dort zunächst an den Blättern, später an den Früchten. Ab Juli findet man nach einer Entwicklung über fünf Stadien die neue Imago auf Heckensträuchern (Brombeeren), verschiedenen Stauden (unter anderem Rainfarn) und Disteln, aber auch Weidenröschen. Die Wanze kann ihr Gift verspritzen. Es färbt die menschliche Haut braun. Sie überwintert an geschützten Stellen im Bodenstreu. Sie kommt in Europa und Sibirien vor.
De zuringwants of fluweelbruine randwants (Coreus marginatus) is een wants uit de familie randwantsen (Coreidae).
Beschrijving
Deze soort heeft een bruin, vrij rond en plat, leer-achtig achterlijf. Aan weerszijden van het halsschild zijn punt-achtige, opstaande uitsteeksels zichtbaar die iets weg hebben van 'schouders'. De vierledige antennes zijn ongeveer de helft van de lichaamslengte en duidelijk zichtbaar vanwege de roodoranje kleur maar met een zwart uiteinde. Ook de achtervleugels zijn roodoranje maar zitten in rust verstopt onder de hemelytra (deels verdikte voorvleugels). De poten hebben maar 2 tarsleden. De platte 'rand' om het achterlijf is lichtbruin gestreept bij volwassen exemplaren. Het scutellum (schildje), een driehoekig deel van het mesonotum is bij deze soort zoals bij vrijwel alle wantsen goed zichtbaar tussen de voorkanten van de hemelytra en vrij recht van vorm. Op het achterlijf zijn de dunne vliezige delen van de hemelytra over elkaar gevouwen. De maximale lengte is ongeveer 15 millimeter, het mannetjes blijft iets kleiner dan het vrouwtje maar heeft langere antennes. Op de foto staat het mannetje waarschijnlijk links afgebeeld.
Voorkomen en levenswijze
De zuringwants leeft in grote delen van Europa en is in de meeste streken niet zeldzaam. De habitat bestaat uit zonnige plaatsen want dit dier houdt van zonnen zodat ze sneller worden. Deze soort leeft in zowel bosranden en vochtige hooilanden als grasland met hier en daar dichtere begroeiing, maar ook in stadsparken en wegbermen wordt de zuringwants aangetroffen, meestal in de buurt van water. Bij verstoring wordt snel gereageerd op de trillingen en laat het dier zich vallen of vliegt weg. In bladstrooisel is het zeer goed gecamoufleerd. De zuringwants is een goede vlieger die 'vanuit stand' kan vliegen en niet eerst ergens op hoeft te klimmen. Bij aanraking wordt een bruine vloeistof afgescheiden die erg stinkt en moeilijk is te verwijderen. |
GLEM has marked this note useful Only registered TrekNature members may rate photo notes. |
|
|
| Discussions |
| None | | You must be logged in to start a discussion. |
|